Valkuil

26-10-2016 13:49

Een domper was het, ik voelde ergernis opkomen. Wat de Syrische man zei, raakte me. Niet alleen wát hij zei, maar het moment – we waren aan het slot van een positief verlopen bijeenkomst – voelde verkeerd. Wat was eraan vooraf gegaan?

 

Het klinkt gemakkelijk: laten we vluchtelingen aan het vrijwilligerswerk zetten. Dan besteden ze hun tijd op een zinvolle manier, leren de samenleving kennen en raken vertrouwd met de taal. Maar er zitten veel haken en ogen aan. Er zijn regels, procedures die gevolgd moeten worden; je moet de juiste klus vinden, het slechte imago van asielzoekers zit in de weg. Dit onderwerp hadden we met elkaar ‘verkend’ – met verantwoordelijk minister Asscher, verschillende organisaties voor Vrijwilligers- en Vluchtelingenwerk, én met een flink aantal mensen om wie het gaat, asielzoekers. Zo’n tweehonderd mensen, in groepjes aan ronde tafels, hadden met elkaar gepraat over de mogelijkheden; het was een middag hard werken geweest. Net toen ik op het punt stond deze verkennende dialoog samen te vatten, vroeg een Syrische man het woord. ‘Syrische mensen zijn niet gewend aan vrijwilligerswerk zoals jullie dat hier in het westen kennen. En ze hebben er ook geen zin in; ze hebben wel iets anders aan hun hoofd. En als ze het wél doen, willen ze iets wat leidt tot werk.’

 

Waarom kwam hij hier nú mee, aan het einde van deze bijeenkomst? In mijn gevoel zette hij een streep door de dingen waar we die middag aan hadden gewerkt. Hij sprak waarschijnlijk wél uit wat veel mensen denken: ‘wij willen geen liefdewerk oud papier, maar een baan, een huis, toekomst. Want dit was toch het land van welvaart en vrijheid?’ En hij benoemde daarmee waar dit misschien eígenlijk over had moeten gaan, maar het moment frustreerde me. Waarom bracht hij het in op een moment dat ik er vrijwel niets meer mee kon? Had hij deze kaarten aan het begin op tafel gelegd, dan hadden we dáármee kunnen werken. We stonden op achterstand; alsof hij informatie had achtergehouden en we een belangrijk onderwerp gemist hadden. Geërgerd, maar ik was ook bang dat de hoopgevende stemming die we hadden opgebouwd door zijn opmerking zou omslaan in verslagenheid. Gelukkig verzekerde daarna een andere vluchteling dat er genoeg Syrische mensen zijn die met vrijwilligerswerk willen bijdragen aan de maatschappij, en er niet direct iets voor terug willen hebben. Pfff ‘gered’! Met deze positieve uitsmijter kon ik afsluiten.

 

Maar het raakte me, en ik vond mijn innerlijke reactie best heftig. Dat stoorde me ook. Waarom reageerde ik hier zo sterk op? Waarom voelde ik me geïrriteerd? Misschien kwam het door de hoop die ik bij dit soort bijeenkomsten heb, dat we met elkaar de samenleving een beetje beter kunnen maken. En dat we door deze bijeenkomst een belangrijke, positieve stap zouden kunnen zetten. Misschien zag ik die mogelijkheid op dat moment vervliegen en was het een gevoel van teleurstelling? Of speelde m’n eigen geëngageerdheid en betrokkenheid me parten? Maakte ik mijn rol groter dan die is? Toen ik er later over nadacht, realiseerde ik me hoezeer ik meegenomen kan worden in de flow die ontstaat door het thema en dynamiek van de dag en hoezeer mijn ego daarbij de ruimte pakt. Misschien was dat mijn valkuil wel geweest.

 

reacties  0 reacties reageren