24-06-2016 10:10

Intiem gesprek

 

Hoe ver kun je gaan? Welke vragen kun je stellen en welke beter achterwege laten? Bij elk interview dat ik houd, overweeg ik van tevoren wat die grens zal zijn. Maar bij dít gesprek deed ik dat dubbel zo goed: toen ik een jong meisje zou gaan spreken over haar ervaringen met een loverboy, op een podium, tijdens een congres met veel bezoekers.

 

Het was eind 2011 en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en het Ministerie van Veiligheid en Justitie hielden een ‘themadag seksuele weerbaarheid jongeren’. Ik mocht de dag voorzitten. We hadden een gevarieerd programma. Onder meer een presentatie van de Rotterdamse politie over innovatieve methoden die zij hanteerde om loverboys aan te pakken. Een discussie met jongeren en wethouders over de campagne WE CAN Young, die jongeren aanzet respectvol met elkaar om te gaan en zich bewust te zijn van grenzen als het gaat om seks en relaties. Mijn interview daartussenin.

 

Een gesprek met een heel kwetsbaar iemand, zonder professioneel masker, over zo’n heftig onderwerp, dat gebeurt zelden op een congres.Meestal zijn dit soort bijeenkomsten voor professionals, waar politiek verantwoordelijken, ministers, directeuren, met elkaar praten over de cliënt, patiënt, consument, maar zelden mét een van hen. Nu zaten er ook jongeren in de zaal. Veel jonge mensen, non-professionals.

 

Het interview was ongetwijfeld het spannendste onderdeel van de middag. Zou ze het aandurven? Zou ze haar verhaal écht willen vertellen, of zou ze twijfelen, ook al had ze toegezegd? Ze kwam, ging zitten in een van de stoeltjes die in een zitje waren opgesteld, en wachtte mijn vragen af. Het was spannend voor ons allebei. Zij, op een podium in  een zaal vol publiek, met zó’n verhaal. En ik: zou ik de goede toon kunnen treffen, zou ik haar in een flow weten te brengen zodat ze ging vertellen over hoe haar loverboy, haar pooier liever gezegd, haar misbruikt had? Ik had een dubbele opdracht voor mezelf. Ik wilde eervol en respectvol met haar omgaan. Ik wilde haar, mét haar heftige verleden en beschadiging, laten schitteren op het podium, haar kracht geven. En tegelijkertijd wilde ik een interessant gesprek voeren dat ook voor een zaal boeiend was.

 

Misschien heeft de manier waarop we zaten, meegewerkt: de suggestie van beslotenheid deed ons goed. Zodra ik met haar begon te praten, was het alsof we alleen met elkaar in een ruimte waren. Ik sloot me af voor de zaal, voelde en enorme toewijding en we kregen een echt gesprek. Aanvankelijk wat stroef, maar door open vragen te stellen, haar tegemoet te komen, ontstond er een dialoog waarin ze durfde vertellen wat haar was overkomen. Voorbij de schaamte, wat ongelofelijk knap en dapper! Tegelijk bleef ik behoedzaam, bleef ik aftasten tot waar ik kon gaan, wanneer zou ze verder praten en wanneer misschien wel dichtslaan? Bovendien wist ik dat ik maar 20 minuten tijd had en het gesprek goed moest afronden. Een krachttoer was het, voor haar en voor mij.  

 

Maar het lukte ons: we voerden een intiem gesprek, dat ook in de zaal als zodanig werd ervaren. De bezoekers hadden het respect gezien dat ik voor haar had, voor de kracht die ze toonde door er te zijn. De mensen waardeerden de zachtheid die ik in het gesprek had kunnen behouden. En ík was blij dat zij zich uitgenodigd had gevoeld, dat ik toch naar die grens had kunnen bewegen, de vragen kon stellen die iedereen stiekem wilde weten zonder dat het goedkoop of beschamend werd. 

reacties  0 reacties reageren

Worth the Talk

13-06-2016 17:02

Ik kijk naar Pauw en zie hoe hij in tien minuten een goed inhoudelijk gesprek met verschillende gasten weet te voeren. Knap. Maar ik weet ook dat hij een kundige redactie heeft die dit grondig heeft voorbereid. Het onderwerp gekozen en onderzocht, verschillende invalshoeken bedacht en daarbij gasten gezocht en uitgenodigd. Ik zie overeenkomsten met mijn werk: als dagvoorzitter moet ik ook vaak in een kwartiertje een item neerzetten, met de gasten en het publiek.

Een congresprogramma gaat dan verder, meestal met sprekers die het onderwerp ontleden, soms met kleine interviews, een paneldiscussie, een debat met de zaal. Ik heb plezier als er smaakmakers, opiniemakers zijn uitgenodigd; die zorgen voor reuring. Zij lokken reactie uit, de zaal kan zich bij hen aansluiten, of zich juist afzetten. Met een publiek van politici, werkgevers, ondernemers hoef ik me ook geen zorgen te maken dat het gesprek zal stilvallen. Zij zullen zich zeker laten horen, omdat ze gehoord wíllen worden, daar hebben ze belang bij.

 

Maar wat te beginnen met een zaal professionals en beleidsmakers die zijn gekomen om te luisteren, om te ontvangen? Die niet de behoefte voelen of er belang bij hebben zich in een discussie te mengen of fel van leer te trekken? Terwijl het programma dat nu juist wél van hen vraagt. Dan ben ik blij dat ik me altijd heel goed voorbereid, dat ik me echt verdiep in het onderwerp, want in zo’n geval moet ík de kar trekken. Dat is snel schakelen, ter plekke mensen in de zaal vinden die mogelijk verstand hebben van een aspect van het onderwerp, en doorvragen. Zelf de luis in de pels zijn, aanjagen. Dat is knetterhard werken. En als iemand achteraf zegt: ‘dat deed je goed zeg, het ging allemaal zo gemakkelijk en soepel’, dan is dat mijn grootste compliment.

 

Ik stel mezelf na zo’n congres wel vragen. Had ik nog scherper kunnen zijn in de voorbereiding? Had ik moeten doorvragen op de werkvorm: ‘er staat een debat op het programma, maar in hoeverre wil dit publiek echt discussiëren? Waarvoor komen deze mensen vooral; om informatie te halen?’ Had ik na mijn eerste voorgesprek moeten terugkomen op het programma: ‘met deze werkvorm en gasten redden we het niet’, en daarbij andere werkvormen moeten introduceren? Misschien wel andere gasten/smaakmakers moeten aanbevelen?

 

Doorgaans heb ik één voorbespreking ‘live’ bij de opdrachtgever; daarin moet ik thuisraken in het onderwerp, het programma doornemen, werkvormen bespreken, de zaalinrichting bepalen. Natúurlijk vraag ik mijn opdrachtgever uitgebreid naar het hoe en waarom. Maar hoe scherp kan ik zijn met de informatie die ik in dit beginstadium heb? Er is (nog) geen tijd voor reflectie. Die neem ik daarna, als ik me inhoudelijk inwerk. Dan rijzen soms ook de vragen: de stellingen voor de discussie ontbreken nog of ik vind ze niet sterk, moet ík ze alsnog formuleren? Is dit wel de goede spreker bij dit onderwerp, en sluiten de gasten aan? Moet ik daar zelf meer onderzoek naar doen? Maar hoe ver wil en kan ik daarin gaan? Natuurlijk zijn er nog contactmomenten met de opdrachtgever, maar het programma kan niet meer volledig op z’n kop. Hoe veel tijd kan en mag je rekenen voor een voorbereiding? Die balans vinden is lastig.

 

De vraag of sprekers (en gasten) zullen kunnen doen wat je voor ogen hebt, is een cruciale. Wat héb je als opdrachtgever eigenlijk voor ogen? Dit soort vragen gaan verder dan waar die zich in eerste instantie mee bezighoudt: de locatie en de catering regelen, sprekers en gasten uitnodigen, een dagvoorzitter inhuren, een programma in elkaar zetten. Dít gaat over de inhoud, en daarmee ben ik terug bij Pauw. Bij congressen is doorgaans geen journalistieke redactie op de inhoud. En dat is doodzonde.

 

Want wat zouden veel bijeenkomsten er kwalitatief op vooruitgaan! Redactie voeren: met elkaar grondig de inhoud doorspitten, de overall rode draad bepalen. En de vragen beantwoorden: wat willen we hier nu eigenlijk écht mee, waarom gaan we hierover praten, waar schuurt het, welke invalshoeken kiezen we. Dáármee beginnen en dan pas je sprekers en gasten uitnodigen, en de werkvorm bepalen. Een bijeenkomst wordt spannender, actueler, worth the talk als je (nog) scherper aan de wind kunt varen.

 

reacties  0 reacties reageren